Realisme, niet populisme moet het energiedebat leiden

Realisme, niet populisme moet het energiedebat leiden

De rekening klopt. De rekening klopt niet. Minder belastingen, maar bijgevolg ook minder geld om de klimaatdoelstellingen te halen. Een nieuw naampje, Tommeltaks, en een bijhorende inhoudsloze petitie. Welkom in het Belgische energiedebat. Zijn het land, de burger en het klimaat er de voorbije weken op vooruit gegaan? Weinig waarschijnlijk. Dit politiek gekrakeel toont alweer aan dat België nog steeds geen langetermijnvisie heeft inzake energiebeleid. Sinds 2003 doet men steeds opnieuw enkel het hoogstnoodzakelijke om vijf jaar politiek te kunnen overleven. Minister Tommelein heeft alvast op één punt gelijk. Beter om de doelstellingen net niet te halen, dan op een verkeerde wijze. Wat is een verkeerde wijze? De kosten van groenestroomcertificaten laten ontsporen om tijdelijke werkgelegenheid in stand te houden. Biomassacentrales met bedenkelijke duurzaamheid en overdreven winstmarges subsidiëren. Dit soort flaters veroorzaakt op termijn financiële putten en keert de publieke opinie tegen de overgang naar een duurzamere energievoorziening. Wat is dan de juiste manier? Om de doelstellingen voor 2020 alsnog te halen, verwacht de minister meer inzet van burgers en bedrijven. Meer zonnepanelen en windmolens plaatsen, is de boodschap. Extra windmolens kunnen op zulke korte termijn echter niet vergund en gebouwd worden. En de nodige hoeveelheid extra zonnepanelen is onrealistisch groot. Maar bovenal, kan je dit nog beleid noemen? “Vraag niet wat Vlaanderen kan doen voor u, maar wat u kan doen voor Vlaanderen”, aldus de minister. Ofwel: burgers en bedrijven, los het alsjeblieft zelf op! Wat onze samenleving nodig heeft, is een breed gedragen maatschappelijke visie over onze toekomstige energievoorziening. Geen onsamenhangende puzzel van akkoordjes waarin iedereen een beetje gelijk krijgt – de compromis cultuur waar ons land...
Onze elektriciteitsprijzen zullen stijgen

Onze elektriciteitsprijzen zullen stijgen

Het voorstel van ontslagnemend minister Vande Lanotte om een ‘zonnefonds’ op te richten, om de stijging van de elektriciteitsprijzen te beperken, is het zoveelste lapmiddel dat het falend energiebeleid in België karakteriseert. Wat is de situatie? Vorige week maakte de Sociaal-economische Raad Vlaanderen (SERV) bekend dat vanaf 2016 de elektriciteitsfactuur met 30 procent kan stijgen. Een belangrijk aandeel in deze elektriciteitsfactuur zijn de distributienettarieven waarmee ook de subsidies voor zonnepanelen worden doorgerekend aan de verbruiker. Deze subsidies waren buitensporig en komen voornamelijk de bemiddelde elektriciteitsverbruiker ten goede. Om deze stijging tegen te gaan, besliste de regering in 2012 om de distributienettarieven te bevriezen voor de periode 2013-2014. Als gevolg daarvan hebben de distributienetbeheerders het verschil uit eigen zak moeten bijpassen. Enige logica leert dat deze maatregel reeds bij aanvang onhoudbaar was en nu resulteert in een veel abruptere stijging van deze tarieven. Een prijsstijging is nochtans niet onverwacht en zal zich doorzetten in de toekomst: iemand moet opdraaien voor de investeringskosten van onder meer hernieuwbare energie. Momenteel is dat de elektriciteitsverbruiker die een meerkost draagt per verbruikte kilowattuur (wat hen – en dat is positief – aanmoedigt om minder elektriciteit te verbruiken). Deze meerkost onderbrengen in een fonds is louter een vestzak-broekzakoperatie: de belastingbetaler zal nu opdraaien voor de meerkost. Over wie concreet meer belastingen zal moeten betalen om het fonds te vullen, blijft het voorstel onduidelijk. Transparant is zo’n fonds dus evenmin. Dit voorstel illustreert een duidelijk gebrek aan langetermijnvisie voor onze energievoorziening. Lapmiddelen invoeren op korte termijn volstaat gewoonweg niet. Dames en heren politici, de stijging van de elektriciteitsprijzen is een logisch gevolg van de keuze voor...
Bijna gratis elektriciteit, dat moet genuanceerd worden.

Bijna gratis elektriciteit, dat moet genuanceerd worden.

De elektriciteitsprijs op de spotmarkt zakte vorige week tot 1,75 €/MWh elektrische energie. De gemiddelde elektriciteitsprijs over de hele zondag bedroeg 15,46 €/MWh (cfr. BELPEX). Alex Polfliet stelt in De Standaard (10/03) dat industriële afnemers die elektriciteit op de spot market opkopen, de prijsdalingen in hun portemonnee voelen. Dit leverde hun een besparing op van 300.000 euro, berekende Polfliet. Meneer Polfliet stelt dat dit het bewijs is dat zonnepanelen een gunstig effect hebben op de elektriciteitsprijzen. Dit punt moet genuanceerd worden. Het is inderdaad zo dat hernieuwbare energie soms de prijs van de verhandelde energie op de spotmarkt drukt. De nadruk ligt op soms. Maar geeft dit nu alleen maar voordelen? Wanneer wordt de prijs nu zo laag? Hiervoor moeten we kijken naar de vraag-en-aanbod curve van elektrische energie. Aan de aanbodzijde wordt het merit order model toegepast (figuur 1). Dit model rangschikt de verschillende productiecentrales volgens variabele kost. Wind en zon zijn per definitie gratis, waardoor ze voorrang hebben op alle andere centrales. De elektriciteitsprijs wordt goedkoper als de vraag naar elektriciteit verminderd of als het aandeel van hernieuwbare energie stijgt. Een ideaal geval is dus een zonnige dag met weinig vraag naar energie, zoals het geval was afgelopen zondag 9 maart. De eerste nuance is de invloed van hernieuwbare energie op de elektriciteitsprijs. Elektriciteit die gewonnen kan worden uit zon en wind schommelt naargelang de lichtinval of windsnelheid. Het aandeel van deze energiebronnen varieert van moment tot moment in de aanbodcurve (zie figuur 2). Op momenten met geen of weinig zon is de prijs hoger, tot 75eur/MWh . De prijs wordt dan immers bepaald door de duurdere...
Kiezen is verliezen

Kiezen is verliezen

Terwijl alle buurlanden rondom ons met mooie plannen staan te zwieren, zitten we in België vooral met onze handen in het haar. Dat komt omdat de Belgische beleidsmakers niet willen kiezen. Want kiezen is verliezen. En wat de politici vrezen te verliezen, zijn stemmen. Ons buurland Duitsland durft de noodzakelijke keuzes wel te maken. Duitsland marcheert met haar Energiewende aan de top van de energie-parade. Is de Duitse Energiewende dan de superoplossing? Dat is ze niet, maar ze schept wel duidelijkheid over waar het land naartoe wil. En dat horen investeerders graag. Daar tegenover staat de kernuitstap in België. Het voorbeeld van besluiteloosheid bij uitstek. Voor een volledige kernuitstap wil men hier niet met zoveel woorden kiezen. Want dat zou willen zeggen dat de energieprijs zal stijgen. Een kernuitstap betekent bovendien ook nog een verhoging van koolstofemissies. Kiezen is verliezen. Kernenergie een optie houden, is tegen de schenen schoppen van de publieke opinie. Kernenergie afbouwen is omwille van de hogere prijzen en CO2 uitstoot opnieuw een aanval op diezelfde publieke opinie. Regels en doelstellingen van de Europese Commissie proberen een energiebeleid in de verschillende deelstaten af te dwingen. Bij ons heeft het een omgekeerd effect. Het zorgt voor ondoordachte beslissingen op korte termijn om de doelstellingen te halen. Waren de subsidies voor zonnepanelen wel een goede beslissing? Ze kosten een klein fortuin en ze brengen meer problemen mee dan er opgelost werden. In energie is het enorm belangrijk dat technologieën (gaande van elektriciteitsproductie, via elektriciteitstransport tot de verbruiker)  op verschillende niveaus gelijkmatig groeien. België is een klein landje, er wordt jaarlijks slechts negentigduizend gigawattuur verbruikt. En toch is het...
Opinie: De Duitse “Energiewende” als Europees voorbeeld?

Opinie: De Duitse “Energiewende” als Europees voorbeeld?

Duitsland heeft besloten om zijn kerncentrales te sluiten tegen 2022. Deze beslissing werd genomen na de ramp in Fukushima in maart 2011. Op de juistheid van deze beslissing wordt hier niet ingegaan, veeleer op de ambitieuze doelen die de Duitsers hebben gesteld om over te stappen naar hernieuwbare energie. Tegen 2020 zou 35% van de geproduceerde elektriciteit hernieuwbaar moeten zijn(1). Tegen 2050 zou het hernieuwbaar aandeel zelfs 80% moeten bedragen. Wat hebben we van de “Energiewende” geleerd en wat kan de rest van Europa overnemen in haar eigen energiebeleid? De Duitse situatie wordt onder de loep genomen. Minder nucleair, meer wind In 2012 hebben onze Duitse buren 2415 MW extra windenergie geïnstalleerd, daarmee waren ze de grootste Europese investeerder in windmolenparken. Tegen eind 2012 werd 11% van de Duitse elektriciteit geproduceerd met windenergie. Slechts 16% van de totale elektriciteitsproductie kwam nog uit kernenergie, tegenover 22,4% in 2010. Investeringen in het hoogspanningsnet Zoals in figuur 2 is te zien, bevinden de windmolenparken zich vooral in het Noorden waar vlakke gebieden met constante wind te vinden zijn. De grote consumptiecentra (industrie en grote steden zoals Munchen, Frankfurt, Stuttgart, etc.) liggen veel zuidelijker, waardoor er nood is aan een grote transmissiecapaciteit die de opgewekte windenergie tot bij de consument brengt. Duitsland heeft de voorbije jaren al flink geïnvesteerd in deze Noord-Zuid verbindingen. Met een verdergaande verschuiving naar hernieuwbare energie, zal het net nog verder moeten worden uitgebreid. Het Duitse energieagentschap Dena schat dat de nodige investeringen zullen oplopen tot 42,5 miljard euro tegen 2030. Dit is niet enkel het gevolg van hernieuwbare productie-eenheden, maar ook van het tekort aan investeringen de voorbije decennia....